Historie

Oudste ijsclub van Kamerik

Bronvermelding: ’t Kan vriezen, ’t kan dooien, samengesteld door Cees Meijers. Copyright 2002.

Beter dan zo erg weinig: Kamerik mag qua inwoneraantal niet groot zijn, de voormalige gemeente beschikt over drie ijsclubs. Anders dan verwacht zou kunnen worden, hebben die niets met levensbeschouwelijke grondslag te maken, maar met het gedeelte van het water dat de vereniging tot het hare rekent. Grofweg is Kamerik zo in drieën opgesplitst. De ijsclub Nooitgedacht heeft het water rond het dorp tot haar domein, ijsclub De Samenwerking organiseert wedstrijden rond de Kanis en ijsclub Juliana aan de Oudendam.

Van de drie is Juliana de oudste. De vereniging werd volgens het bewaard gebleven notulenboek opgericht in 1923. Maar de eerste ledenvergadering van de ”IJsclub,” zoals secretaris G. Molenaar schreef, werd op 14 januari van het daaropvolgende jaar gehouden. Het was allemaal nogal onverwacht gegaan en kennelijk aangemoedigd door het winterweer werd in het café ”de Oude Aanleg” aan de Oudendam de kogel door de kerk gejaagd. In die beginperiode beschikte de club over 33 leden. Meteen werd een ringrijderij georganiseerd, waaraan 26 paren deelnamen. Per paar moest een gulden worden betaald en de prijzen liepen uiteen van ƒ 10,- tot ƒ 2,50, vorstelijke bedragen voor die tijd. De prijzen werden door voorzitter H.A. van der Worp in het café, dat jarenlang als clubhuis zou dienen, uitgereikt. Volgens het reglement, dat op 15 februari werd opgesteld, was het organiseren en leiden van dergelijke „ijsvermaken” het voornaamste doel van ”Juliana.” Dat betekende dat er in het seizoen in elk geval een ijsbaan op orde zou worden gebracht, terwijl ook ijsfeesten tot de vaste activiteiten behoorden. Bij de baan werd een ”tent” neergezet, waar naar verwachting koek en zopie verkrijgbaar waren.

Cafe de ''oude aanleg''
Cafe de ”oude aanleg” de thuisbasis van de ijsclub tot ca.1960

Zodra er ijs lag, kwam het bestuur in actie. Soms te vroeg, zoals in de winter van 1924 op 1925, toen de vorst al spoedig inviel. Al op 9 december was alles in gereedheid voor een volgend ijsfeest. Plotselinge dooi gooide roet in het eten en ook anderhalve maand later, op 19 januari, leken alle voorbereidingen vergeefs: het weer was zo slecht dat de geplande hardringrijderij niet door kon gaan ”zoo dat we verplicht waren om een gewonnen (gewone) ringrijderij te beginnen met tenslotte nog met een tal van 14 paren Wat nog een heel plijzierig verloop had, al vlogen de sneeuwvlokken ons om de ooren.” Berta Ekelschot en C. van Rijn, de mannelijke helft van het paar werd alleen met de voorletter aangeduid, gingen met de eerste prijs van tien gulden naar huis.

Behalve het ringsteken, werden ook kortebaanwedstrijden georganiseerd. Vrijdag 22 januari 1925 was het T. Ekelschot die onder barre omstandigheden de eerste hardrijkampioen van de Oudendam werd. In totaal streden twintig schaatsers om de prijzen. „Nu, ze vochten er pleizierig om,” noteerde de secretaris tevreden in zijn jaarverslag. Uit de namen van de prijswinnaars valt al te leiden, dat de vereniging niet alleen op Kamerikse belangstelling draaide. Ook de bewoners van het aangrenzende deel van de gemeente Wilnis, vooral langs de Zuwe en aan de Meent, waren meer op dit stuk van Kamerik dan op hun eigen dorp georiënteerd. Voor hen was de gang naar de ijsbaan aan de Oudendam korter dan die naar Woerdense Verlaat, dat wél (grotendeels) Wilnis grondgebied was en waar een eigen ijsclub floreerde. Later kwamen ook rijders uit Kockengen richting de baan van Juliana.

Een duidelijk afgebakend gebied, zoals Juliana tegenwoordig heeft, was er in die periode nog niet. De vereniging was de enige in haar soort in Kamerik en beperkte zich tot een niet nader omschreven noordelijk deel van de gemeente. Uit de notulen blijkt dat ze in die eerste jaren ook de ”Hoek van Spengen” tot haar grondgebied rekende, aangezien ook daar activiteiten werden ontplooid. De Hoek van Spengen vormde een noordoostelijk reepje Kamerik dat, bij een ronde van gemeentelijke herindelingen in 1964 naar Kockengen werd overgeheveld. Het ging hier waarschijnlijk om een aantal markeringen voor een langere schaatstocht, een voorloper van de latere poldertochten. De activiteiten van de vereniging zouden lange tijd vergelijkbaar blijven: ringrijden en hardrijden, al dan niet met hindernissen, met nog altijd prijzen van ƒ 10,- tot een rijksdaalder. Het animo daarvoor was groot en uit de verslagen, die grotendeels dezelfde geest ademen, blijkt dat de buurtschap er geleidelijk op ging rekenen. Er kwam behoorlijk wat volk op de wedstrijden af. Niet alleen uit de directe omgeving. Rijders uit Wilnis of Woerden meldden zich eveneens aan de start van de hardrijderijen. Ook de uitbater van het café ”de Oude Aanleg” deed zijn best om het ijsfeest nog feestelijker te maken. Dat was bijvoorbeeld na de wedstrijden van 15 januari 1929 het geval. Blijkens de notulen had hij „gezorgd voor een heerlijke muziek” en voor brood en koffie „dat zich wel doet smaken als men zoo”n spannend oogeblik achter de rug heeft.” Het was een goede winter, zodat de vereniging op 28 januari de première meemaakte van een hardschoonwedstrijd voor paren. Schoonrijden was in die dagen een veel beoefend ijsvermaak, ook in paren, maar om dat ook op snelheid te doen, bood een aantrekkelijk schouwspel voor het publiek. Vooral als de paren aan het einde ,,zeer kon om turven heen moesten draaien, wat een spannend moment was, zowel voor de deelnemers als voor het publiek.” Het duo ”A.T. Ekelschot en mej. v.d. Zwaan” ging met de eer en de eerste prijs strijken. Dat was andermaal tien gulden. Toen er in datzelfde jaar nog een ijsfeest werd gehouden, het vijfde in successie, werd het prijzengeld verlaagd: de bodem van de kas was blijkbaar in zicht. Die kas werd niet alleen gevuld met de jaarlijkse contributie en het inleggeld bij de wedstrijden. Ook werd bij elke jaarvergadering een verloting gehouden, waarvoor loten gekocht moesten worden. Eén lot werd bij opbod verkocht en dat leverde bedragen tot een gulden op, tienmaal zoveel als de eigenlijke prijs. De winnaars konden met sigaren, sigaretten of speelgoed (een jojo) naar huis. In 1935 was zelfs sprake van ”een suikerbeest van exorbitante afmetingen,” gewonnen door A. Janmaat. Als er een keer geen ijs lag, werden aanvankelijk geen activiteiten georganiseerd. Eind 1938 werd echter besloten om dan ”in een der wintermaanden een gezellige bijeenkomst te beleggen met … 2 of 3 gratis consumpties. Zonder Dames en er dan eenige attracties aan te verbinden, zooals b.v. kaarten of biljarten om carbonade of iets dergelijks.” Het zou niet nodig blijken, want er lag volop ijs die winter, waarbij de vereniging de handen vol had aan het schoonhouden van de baan, omdat er sneeuw in overvloed viel. Eind 1941 sloot Juliana zich aan bij de N.H.U.B., de Noord-Hollandsche IJsbond (officiële naam: IJsbond ”Hollands Noorderkwartier”). Dat kwam met name het aantal toerrijders ten goede. De winter 1941-1942 was streng en leverde goed ijs op. De aansluiting bij de IJsbond had positieve gevolgen voor het aantal deelnemers aan de toertocht: , ,uit alle oorden van het land kwamen den toeristen langs den Oudendam om daar hun roetenkaart te laten afstempelen.” Het was intussen oorlog en die omstandigheden verhinderde de vereniging haar twintigjarig bestaan, begin 1944, groots te vieren. Direct na de bevrijding werden de bakens enigszins verzet. De samenwerking met de IJsbond moest meer gestalte krijgen, oordeelde het toenmalige bestuur. Er zouden ”groote toertochten en toerwedstrijden” moeten komen en als er een keer geen ijs lag, konden de leden op de kunstijsbaan in Amsterdam gaan schaatsen. Dat eerste was geen probleem. Overleg met de secretaris van de bond had uitgewezen dat de Oudendam best een startplaats voor de toertocht van de N.H.IJ.B. kon worden. De dichtstbijzijnde locatie was in Uithoorn. Veel moet het niet hebben opgeleverd, want al in 1950 bedankte Juliana weer voor het lidmaatschap van de bond. De vereniging had op dat moment 59 leden, van wie er op de vergaderingen doorgaans zo”n twintig aanwezig waren. Wél werden in die periode contacten opgenomen met zusterverenigingen in de regio. Dat leidde tot deelname, vanaf 1954, aan de Dorpen- en Kastelentocht, met stempelpost aan de Oudendam. Dat leverde regelmatig winst op. In 1957 werd zelfs honderd gulden door het Amstel-Rijndistrict van het gewest Noord-Holland/ Utrecht aan de vereniging geschonken als extra bijdrage na de geslaagde toerritten, die nu als ”Dorpen- en Kastelentochten” te boek staan. Uit diezelfde notulen blijkt dat de ijsclub toch bij de K.N.S.B. is aangesloten.

Nogmaals cafe de ''oude aanleg''
Nogmaals cafe de ”oude aanleg” de thuisbasis van ijsclub Juliana.

Juliana organiseerde verder de gebruikelijke hardrijderijen. Kennelijk waren de leden bang voor concurrentie. Zo werd op de jaarvergadering van 1950 gestemd over de toelating van twee kandidaatleden, waarvan bekend is dat het ” zeer goede rijders” zijn. ”Na veel discussie moest er uiteindelijk weer gestemd worden, voor of tegen. Uitslag: 7 voor, 11 tegen, dus werden (ze) niet aangenomen…”

Eind jaren vijftig moest de vereniging verhuizen. Café Van Rossum (de Oude Aanleg) was gesloten. Aan de Oudendam ging een en ander veranderen als gevolg van de aanleg van de Korte en de Lange Meentweg en de ir. Enschedeweg. Juliana hield vanaf dat moment tot 1980 haar vergaderingen aan de Kanis, bij café Janmaat (”de Gekeerde Kanis”).

Het ontbreken van een ”eigen” lokaal was nadelig, omdat er nu minder makkelijk een stempelpost kon worden ingericht voor de tochten. Aanvankelijk bleef die post toch aan de Oudendam. Later werd deze verplaatst naar de Grecht, waar aan ”s-Gravesloot een startpunt kwam voor wat vanaf dat moment de Westveense Poldertocht heette, een rondrit die samen met de ijsclub ” Ons Genoegen” uit Woerdense Verlaat werd georganiseerd en die in goede ijsjaren de vereniging geen windeieren zou leggen.

In de jaren zestig en zeventig zag de vereniging de belangstelling voor de traditionele ring- en hardrijderijen afnemen. Het schaatsen werd, in het kielzog van de Nederlandse successen op de langebaan, een sport die in brede lagen van de bevolking werd beoefend. Wedstrijden maakten steeds meer plaats voor toertochten.

Dat legde de ijsclub geen windeieren. In goede jaren deden duizenden rijders mee aan de poldertochten en die winst maakte het mogelijk dat Juliana in 1980 overging tot de bouw van een eigen clubhuis aan de Oudendam. Een houten loods werd daartoe gebouwd. De daarvoor vereiste vergunning was echter niet aangevraagd en vier dagen nadat het gebouwtje was opgericht, stond de gemeentelijke technische dienst op de stoep met het dringende verzoek het geheel weer af te breken. Het toenmalige bestuur ging daar niet op in en dat leidde tot een aantal felle debatten in de gemeenteraad. Een deel van de raad vond dat het nieuwe clubgebouw inderdaad diende te verdwijnen, een ander deel vond dat het optrekje van Juliana wel een plaatsje in het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied kon krijgen. Dat voorstel van ARP-raadslid J. Stol kon de goedkeuring van een raadsmeerderheid krijgen. Intussen werd alsnog een bouwvergunning aangevraagd en verleend. Dat leidde tot bezwaren en een procedure bij de provincie Utrecht. De IJsclub moest daar verschijnen en werd in het ongelijk gesteld. Toch kon het gebouw uiteindelijk gewoon blijven staan. Via het bestemmingsplan werd het namelijk alsnog gelegaliseerd.

Dit gebouwtje (zie Google Maps) is tegenwoordig de thuisbasis van de vereniging. Er zijn materialen in opgeslagen en als de in opgeslagen en als de Westveense Poldertocht wordt verreden, komen de schaatsers er langs. Die poldertocht is aan het begin van de eenentwintigste eeuw de enige grootschalige activiteit van de vereniging.

Lees ook het gedicht dat gemaakt is ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van de ijsclub!

Meer van dit soort verhalen kun je lezen in het boek getiteld: “’t Kan vriezen, ’t kan dooien.”
Het is een boek om avondenlang bij de warme kachel met een kop chocolademelk door te bladeren of door te lezen. Kortom, een prachtig boek voor de decembermaand. Prijs euro 24,50/stuk.

Het is te koop bij boekhandel Karssen in Woerden en bij Cees Meijers, Verlaat 9 Kamerik. Telefoon 0348 – 401217